Het ei van columbus

Piet Berkvens blijft experimenteren en ontwikkelt uiteindelijk de inmiddels wereldberoemde celdeur. Het wordt het ei van Columbus voor Berkvens. Hij komt min of meer toevallig bij het principe van de uitvinding uit. Want Piet Berkvens had altijd een sigarendoos op zak. Een multifunctioneel voorwerp, dat naast voorraadkast voor de sigaren ook dient als agenda en notitieblok voor Piet. Op de onderkant noteert hij zijn ideeën: of hij nou thuis, in de kerk of het café zit. Hij werkt ze dan de volgende dag uit. Juist de sigarendoos zelf brengt hem op het gouden idee: een kartonnen eierrekje tussen de onder- en bovenkant van zijn sigarendoos blijkt een zeer stabiele constructie te vormen. Misschien wel geschikt voor een sterke binnendeur? Hij test zijn idee eerst thuis door de kamer helemaal vol te leggen met eierrekken waar zijn dochter Nelly van Dooren-Berkvens samen met haar moeder Hanneke Berkvens op moesten gaan staan en rondlopen om te kijken hoe sterk ze waren en hoe lang ze het hielden. En na uitvoerige proeven in de fabriek slaagt Piet Berkvens erin een goed product en bijpassende productiemethodes te ontwikkelen.

Van idee naar product

Het principe van de celdeur is even eenvoudig als onverwoestbaar. Een raamwerk van vurenhouten latten wordt aan beide zijden voorzien van een hardboard plaat, die voorzien is van lijm. De ruimte tussen deze platen wordt opgevuld met kartonnen eierkistcellen. In een pers kan de lijm dan onder druk en verhoogde temperatuur uitharden. Maar zulke machines zijn onbetaalbaar voor Piet Berkvens. Hij bedenkt een eenvoudig alternatief: een betonblok van 7.000 kilo dat op katrollen werkt. Een tiental deuren wordt op elkaar gestapeld en met de katrol wordt het betonblok op de stapel geplaatst. Na het uitharden van de lijm wordt het betonblok weer opgetakeld en is er een stapel deuren ‘geperst’. Een proces dat een aantal uren in beslag neemt. Deze productiewijze tekent de persoon Piet Berkvens: creatief, vindingrijk en zuinig. De eierkistcellen worden samengesteld uit kartonnen stroken die hij in Barneveld en omgeving aankoopt. Ze worden in Someren in elkaar gelegd tot cellen geschikt voor de deurfabricage. Na verloop van tijd worden deze vervangen door honingraatcellen. Vanwege de kartonnen vulling spreken veel concurrenten over de ‘kartonnen deur’. Het mag dan wel karton zijn, de deuren zijn oersterk. Ze kunnen het gewicht van acht volwassenen dragen!

Door naar massaproductie

De deuren zijn niet alleen ijzersterk, maar ook licht in gewicht en goedkoop te produceren. Dat laatste is in de naoorlogse jaren doorslaggevend voor het succes van de Berkvens deur. Vanaf begin jaren ’50 worden op haast industriële wijze complete nieuwbouwwijken letterlijk uit de grond gestampt. Tussen 1945 en 1955 gaat het om bijna 450.000 huizen, waarvan Amsterdam, Rotterdam en Dan Haag een belangrijk deel voor hun rekening nemen. In ieder huis worden zo’n dertien binnendeuren verwerkt. Met recht kan men spreken van een groeimarkt! Berkvens neemt dankzij haar scherp geprijsde binnendeur een voorsprong op concurrenten. Zij kunnen aanvankelijk alleen maar de ‘ouderwetse’ zwaardere binnendeuren leveren. Piet Berkvens heeft met zijn celdeur goud in handen… áls hij een manier kan bedenken om de binnendeur massaal te produceren! Logisch dat hij daar al zijn energie en aandacht in steekt. Zijn droom is één lange productielijn waar als het ware een stuk hout aan de voorkant ingaat en er aan de achterkant als deur uitkomt. Die droom loopt in het fabriekspand aan de Kanaaldijk in Someren stuk op ruimtegebrek. Reden dus om de productie te willen verplaatsen naar een grotere, modernere fabriek. Het zit Piet Berkvens dan niet mee, want juist in deze periode ontvouwt het gemeentebestuur in Someren ambitieuze industrialisatieplannen.